Kunnen

Er waren eens vijf mensen. In de weide omtrek was er geen levende ziel te bekennen en de vijf waren op elkaar aangewezen. Om het zichzelf wat te vergemakkelijken hadden ze ieder een taak toebedeeld. Één zorgde voor het verzamelen van vruchten en een ander eetbaar groen, weer een ander zorgde voor het vlees. Zo hadden zij de taken verdeeld om toch nog een enigszins gerieflijk leven te kunnen leiden. Dag in, dag uit deed een ieder zijn taak en bracht een ieder de ander wat de dag hem had opgeleverd. Niets stond hun in de weg om velden af te struinen, de bossen af te stropen en de plassen af te varen. Ze waren alle vijf gezond en schiepen plezier in hun eigen taak.

Op een dag merkte één bij het ontwaken dat zijn taak hem vandaag niet zou lukken. Het ontbrak hem simpelweg aan de juiste motivatie. De dag daarna bleef ook een tweede thuis, de dag daarna een derde, totdat op de vijfde dag ze met z’n vijven om het kampvuur zaten. Geen vruchten, geen vlees noch vis hadden zij verzameld en het leven werd met de dag onaangenamer. En dat terwijl zij fysiek in staat waren om het te laten zijn zoals het was…