Categorieën
Columns

Overtollig

Boekenwinkels maken me altijd een beetje cynisch. Achter al die boeken gaan auteurs schuil die iets te melden hebben. Die vinden dat hun ideeën gelezen zouden moeten worden. Anders schrijf je geen boek, toch? Het is de enorme verzameling van boeken die mij doet geloven dat al die ideeën inwisselbaar zijn. Niettemin heb ik er laatst een boek gekocht. Ook een nihilist wil weten wat hij is en het liefst nog een beetje koketteren met die kennis. Daarom koos ik een werk van de Nijmeegse hoogleraar Paul van Tongeren over Nietzsche en diens idee dat Europa aan de vooravond staat van een nihilistische pandemie.

Van Tongeren schrijft dat Nietzsche graag las uit het werk van de Russische schrijver Ivan Toergenjev. Van de bibliotheek, nog een plek waar de titels rijen dik staan opgeslagen, maar nu is het de overheid die meent al dat gedachtegoed aan te moeten bieden, leende ik een verhalenbundel van Toergenjev. Ook een nihilist heeft zo zijn idolen. Een titel die dadelijk mijn interesse wekte was Dagboek van een overtollig mens. Kort daarvoor hoorde ik dat Europa zestien miljoen werklozen kent. Zestien miljoen overtolligen plus één, dacht ik toen, want ik sta nergens als zodanig geregistreerd.

Het verhaal viel een beetje tegen. Een persoon blikt terug op zijn leven en meent met een korte geschiedenis duidelijk te kunnen maken dat zijn hele leven zonder betekenis is geweest. Hij neemt daarvoor een liefdesaffaire waarin al zijn inspanningen tot niets leiden. Zij kiest voor een ander. Het verhaal dat ik zou schrijven zou overtuigender zijn geweest. Als er iemand overtollig is, dan ben ik het wel. Dat is een beetje de schuld van Nietzsche leerde ik uit het boek van Van Tongeren. Nietzsche en ik verschillen namelijk niet zoveel van elkaar, alleen was hij eerder klaar met zijn boeken. Mijn boeken zijn daarmee overtollig geworden. En om nu voort te borduren op zijn werk is ook zoiets. Daar zijn al boekenwinkels mee volgeschreven.

Categorieën
Columns

Zelfmoord

Hebt gij niet gehoord van de dolle mens, die op klaarlichte morgen een lantaarn opstak, op de markt ging lopen en onophoudelijk riep: ‘ik zoek mijzelf! Ik zoek mijzelf!’ Omdat er daar juist veel van die lieden bijeenstonden die in zichzelf geloofden, verwekte hij een groot gelach. ‘Is hij soms verloren gegaan?’ vroeg de een. ‘Is hij verdwaald als een kind?’ vroeg de ander. ‘Of heeft hij zich verstopt? Is hij bang voor ons? Is hij scheep gegaan? Naar het buitenland vertrokken?’ – Zo riepen en lachten zij door elkaar. De dolle mens sprong midden tussen hen in en doorboorde hen met zijn blikken. ‘Waar ben ikzelf heen?’ riep hij uit. ‘Dat zal ik jullie zeggen! Wij hebben hem gedood – jullie en ik! Wij allen zijn zijn moordenaars! Maar hoe hebben wij dit gedaan? Hoe hebben wij de zee kunnen leegdrinken? Wie gaf ons de spons om de horizon uit te vegen? Wat hebben wij gedaan, toen wij deze aarde van haar zon loskoppelden? In welke richting beweegt zij zich nu? In welke richting bewegen wij ons? Weg van alle horizonnen? Vallen wij niet aan één stuk door? En wel achterwaarts, zijwaarts, voorwaarts, naar alle kanten? Is er nog wel een boven en beneden? Dolen wij niet als door een oneindig niets? Ademt ons niet de ledige ruimte in het gezicht? Is het niet kouder geworden? Is niet voortdurend nacht en steeds meer nacht in aantocht? Moeten er ’s morgens geen lantaarns worden aangestoken? Horen wij nog niets van het gedruis der doodgravers die mij begraven hebben? Ruiken wij nog niets van de persoonlijke ontbinding? – ook ikken raken in ontbinding! Ik ben dood! Ik blijf dood! En wij hebben hem gedood! Hoe zullen wij ons troosten, wij moordenaars? Het heiligste en machtigste dat de wereld tot dusver bezeten heeft, is onder onze messen verbloed – wie wist dit bloed van ons af? Met welk water kunnen wij ons reinigen? Welke zoenoffers, welke heilige spelen zullen wij moeten bedenken? Is niet de grootte van deze daad te groot voor ons? Nooit was er een grotere daad – en wie er ook na ons geboren wordt, om wille van deze daad behoort hij tot een hogere geschiedenis dan alle geschiedenis tot dusver geweest is!’- Hier zweeg de dolle mens en keek opnieuw zijn toehoorders aan. Ook zij zwegen en keken bevreemd terug. Eindelijk wierp hij zijn lantaarn op de grond, zodat die in stukken sprong en uitdoofde. ‘Ik kom te vroeg,’ zei hij toen, ‘het is mijn tijd nog niet. Dit ongelooflijke gebeuren is nog onderweg. Het maakt een omweg – het is nog niet tot de oren der mensen doorgedrongen. Bliksem en donder hebben tijd nodig, het licht der gesternte heeft tijd nodig, daden hebben tijd nodig, ook nadat ze gedaan zijn, om gezien en gehoord te worden! Deze daad is nog steeds verder van hen af dan de verste gesternten – en toch hebben ze haar zelf verricht! ‘ – Men vertelt verder, dat de dolle mens diezelfde dag nog verscheidene kerken binnengedrongen is en daar zijn requiem aeternam aangeheven heeft.

De bovenstaande tekst is een vrije variatie op Friedrich Nietzsches´ beroemde tekst waarin hij God dood verklaart (vertaling van P. Hawinkels).

TIP : bekijk ook eens deze site over de grootste uitdaging van deze tijd, namelijk je leven zin geven in een wereld die geen zin meer lijkt te bieden.